Fondsprijzen

De Fondsprijzen zijn prijzen die voortkomen uit de legaten die aan de Academie werden toevertrouwd.

 

Henri Schouteden-prijs

Prijs voor een belangrijk oorspronkelijk werk over faunistiek (bij voorkeur van Afrika), systematiek, ecologie, ethologie of anatomie van de dieren.
Bedrag voor deze prijs: 1250
Deze prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt.

The evolution and function of integumentary melanin.

Michaël Nicolaï wijdt zijn onderzoek aan kleuren in dieren, wat voortkomt uit zijn levenslange passie voor zowel kleuren als dieren. Wekelijks bracht hij bezoeken aan zijn grootvader, een schilder, waar hij gefascineerd raakte door kleuren. Zijn liefde voor de natuur werd op zijn beurt aangewakkerd door frequente wandelingen buiten en jaarlijkse bezoeken aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (RMMA). Nadat hij zijn Bachelor en Master in Biologie aan de KU Leuven had voltooid, werd zijn passie voor fylogenetisch onderzoek zijn drijfveer om een aanvullende Master in Biologie met specialisatie in Herpetologie aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB) te volgen. Na deze Master begon hij zijn doctoraat aan de Universiteit Gent.

Het doel van zijn doctoraats onderzoek was het bestuderen van de evolutie en functie van melanine, het pigment dat verantwoordelijk is voor zwarte kleur, in vogels en reptielen. Door meer dan 3500 soorten vogels te bestuderen, waaronder exemplaren uit de collecties van het KBIN en het RMMA (sommige verzameld door Henri Schouteden), ontdekte hij dat, net als mensen, vogels donkere huid ontwikkelden als bescherming tegen UV-straling. Bovendien vond hij dat zwarte vleugels de vliegefficiëntie verhogen en dat zeevogels onafhankelijk zwarte vleugels evolueerden maar dat dit voornamelijk gebeurde in de beste vliegers. Dit suggereert dat zwarte vleugels evolueerden als een adaptatie voor een meer efficiëntere vlucht. Tot slot onderzocht hij waarom honingzuigers zo kleurrijk zijn. Hij ontdekte dat deze vogels een nieuw kleurmechanisme ontwikkelden, namelijk iriserende kleuren, waardoor honingzuigers een breed scala aan kleuren konden genereren, wat soortenherkenning efficiënter maakte. De evolutie van dit kleurmechanisme is dan ook nauw verbonden met de diversificatie van deze vogelfamilie.
Als postdoc, verbonden aan zowel de Universiteit Gent als Harvard University, richt hij zich op het onderzoeken van de genetica, evolutie en functie van iriserende kleuren in vogels. Deze iriserende veren veranderen van kleur afhankelijk van de waarnemingshoek en ontstaan door de organisatie van melanosomen (de organellen die melanine bevatten) in nanostructuren. Naast onderzoek is Michaël ook een fervent natuurfotograaf en reist hij de wereld rond op zoek naar zo veel mogelijk (kleurrijke) dieren.


Causes and consequences of body armour in the group-living lizard, Ouroborus cataphractus (Cordylidae)

De passie van Chris Broeckhoven (°1987) voor de herpetofauna van Afrika werd aangewakkerd tijdens zijn deelname aan een tropische stage in Tanzania, onderdeel van het Bachelor curriculum van de Biologie aan de UAntwerpen. Gedreven door zijn ambitie trok hij naar Zuid-Afrika om in het kader van een uitwisselingsprogramma met de Universiteit van Stellenbosch gegevens te verzamelen voor zijn masterproef. In 2011 verhuisde hij naar Zuid-Afrika en zette als doctoraatsstudent zijn onderzoek verder aan de Universiteit van Stellenbosch onder begeleiding van Prof. le Fras Mouton. Het doel van zijn onderzoek was om een dieper inzicht te verkrijgen in de functie van osteodermen – beenplaatjes gelegen in de huid die voor bepantsering zorgen – bij een van de meest enigmatische hagedissensoorten: de pantsergordelhagedis. Als postdoctoraal onderzoeker werd hij ontvangen door Prof. Cang Hui en verdiepte hij zich in de modernste methoden, zoals micro-computertomografie, om op een efficiënte en niet-invasieve manier morfologische informatie te verkrijgen over de bepantsering van een groot aantal soorten gordelhagedissen.

Het opmerkelijkste resultaat van zijn onderzoek in Zuid-Afrika was de vaststelling dat bepantsering (bij hagedissen) niet noodzakelijk dient ter bescherming tegen predatoren, maar mogelijk mede beïnvloed wordt door verschillende selectiedrukken zoals habitatgebruik, thermoregulatie, waterverlies, etc. Deze bevindingen brachten hem ertoe een beurs bij het FWO-Vlaanderen aan te vragen om in 2017 als postdoctoraal onderzoeker terug te kunnen keren naar de UAntwerpen en deze hypotheses verder te kunnen toetsen in een diversiteit aan dierengroepen van kikkers tot krokodillen. Naast zijn onderzoek is Chris een fervent plantenliefhebber, wereldreiziger en ‘connaisseur’ van Zuid-Afrikaanse wijnen.


Biodiversity and carbon storage conservation in the Congo Basin lowland rainforest

De loopbaan van Frederik Van de Perre (°1989) staat in het teken van natuurbehoud. Na een bachelor in biologie aan de KU Leuven begint hij in 2010 aan de pas opgerichte masteropleiding Biodiversity: Conservation and Restoration aan de UAntwerpen. In 2012 ontvangt hij voor zijn master thesis “Wildlife corridors around Saadani National Park, Tanzania” de Jacques Kets Award voor Zoölogie. Zijn doctoraat “Biodiversity and carbon storage conservation in the Congo Basin lowland rainforest” is een samenwerking tussen de UAntwerpen (prof. Dr. Herwig Leirs), het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (dr. Erik Verheyen) en de Plantentuin Meise (dr. Steven Dessein). Het doctoraat kadert in COBIMFO, een project met verschillende Belgische partners en werd ondersteund door het FWO. Zijn onderzoek leidde o.m. tot de oprichting van de African Mammalia database. Na zijn doctoraat werkte Frederik samen met zijn vrouw als onderzoeker voor het Dian Fossey Gorilla Fund in DR Congo. Daarnaast zet hij zich ook in voor het beheer van diverse natuurgebieden van Natuurpunt en is hij natuurfotograaf.

De bescherming van de bovengrondse koolstofvoorraden in tropische bossen is van essentieel belang om de wereldwijde klimaatverandering te beperken en wordt verondersteld tegelijkertijd de biodiversiteit in stand te houden. Het Congolese regenwoud is het op één na grootste regenwoud en één van de gebieden met de grootste biodiversiteit op aarde. De verspreiding van de biodiversiteit in het laaglandregenwoud van het Congobekken is echter sterk onderbestudeerd. Het doel van dit proefschrift is dan ook tweeledig: het beoordelen en verklaren van verschillen in regionale en lokale diversiteit in het Congobekken en het testen van de veronderstelde positieve relatie tussen koolstofopslag en biodiversiteit in het Congolese laaglandregenwoud.


Na een carrière als jurist, besloot Filip Huyghe in 2007 uit passie voor de oceaan om biologie te gaan studeren. Hij behaalde zijn bachelor en master aan de Vrije Universiteit Brussel en behaalde daar in 2018 ook een doctoraat. Voor zijn onderzoek bestudeerde hij het verspreidingspatroon van de larven van anemoonvissen tussen koraalriffen voor de kust van Zanzibar, Tanzania, gebruikmakend van genetische technieken.
Zijn veldwerk deed hij in samenwerking met de State University of Zanzibar waar hij een jaar lang verbleef. Zijn labowerk en data-analyse deed hij in het Marine Biology Laboratorium aan de VUB onder leiding van Prof. Mark Kochzius. Na zijn doctoraat vertrok hij met een BAEF (Belgian American Educational Fund)-beurs naar de University of California, Santa Cruz, waar hij als post-doc verder onderzoek verricht naar de genetische diversiteit en het verspreidingspatroon van anemoonvissen tussen koraalriffen.
Het doel van dit onderzoek is te begrijpen hoe tropische vispopulaties elkaar demografisch beïnvloeden en hoe beschermde mariene zones tegelijk het voortbestaan van bedreigde koraalriffen kunnen garanderen en door lokale vissers geëxploiteerde gebieden kunnen helpen bevoorraden via rekrutering vanuit de beschermde gebieden. Een belangrijk resultaat van dit onderzoek is de vaststelling dat verspreiding van vislarven vaak lokaal is en door meerdere factoren beïnvloed kan worden. Daarom biedt een netwerk van beschermde zones die op verschillende afstanden van elkaar verwijderd zijn de beste garantie op een duurzame en demografisch gezonde vispopulatie.


Na een opleiding als muzikant en een Bachelor en Master in Biologie behaalde Benny Borremans zijn Doctoraat in de Biologie aan de Universiteit Antwerpen in 2015, onder begeleiding van Prof. Herwig Leirs en Dr. Jonas Reijniers. Voor zijn onderzoek over de verspreiding van infectieziekten in knaagdierpopulaties voerde hij veldwerk uit in Tanzania, in samenwerking met de Sokoine University of Agriculture. Hij combineerde dit veldwerk met laboratoriumwerk in Antwerpen en gebruikte statistische en wiskundige modellen om beter te begrijpen wat de invloed is van populatiedichtheid op de verspreiding van infecties. Zijn expertise heeft hij in 2014 ook kunnen toepassen als WGO consulent tijdens de Ebola uitbraak in Guinée, waar hij deel uitmaakte van een team dat menselijke stalen testte op de aanwezigheid van Ebola virus. Sinds 2016 werkt hij in Los Angeles als postdoctoraal onderzoeker van UCLA en UHasselt, gesteund door een project van de Amerikaanse overheid en een Europese Marie Sklodowska-Curie beurs. Naast zijn onderzoek is Benny muzikant, klimmer, fietser, en wandelaar.

Het doel van mijn doctoraatsonderzoek was om beter te begrijpen hoe de verspreiding van infectieziekten beïnvloed wordt door populatiedichtheid. Over het algemeen wordt verwacht dat een besmettelijke ziekte zich makkelijker en sneller zal kunnen verspreiden in een dichtbevolkt gebied dan in afgelegen kleine populaties. Dit is niet enkel belangrijk voor infecties bij mensen maar ook voor dieren, aangezien veel diersoorten zich seizoenaal voortplanten, waardoor soms zeer sterke periodieke veranderingen in populatiedichtheid ontstaan. Wij onderzochten de verspreiding van Morogoro virus in seizoenaal sterk fluctuerende knaagdierpopulaties in Tanzania. Via een combinatie van experimenten in de natuur en in het laboratorium hebben we kunnen bepalen hoe lang knaagdieren besmettelijk zijn en hoeveel contacten ze met elkaar hebben bij verschillende populatiedichtheden. Deze informatie hebben we dan gebruikt om een wiskundig simulatie model te maken waarin we nagaan wat het belang is van de manier waarop de snelheid van ziekteverspreiding verandert met populatiedichtheid. Een belangrijk resultaat van dit onderzoek is dat de relatie tussen populatiedichtheid en ziekteverspreiding een grote invloed kan hebben op de kans dat een ziekte overleeft in een populatie.

 


Sophie Gryseels (°1986) wordt bekroond als laureaat van de Schoutedenprijs 2015 voor haar doctoraatsstudie Evolutionaire relaties tussen arenavirussen en hun knaagdiergastheren. Voor dit onderzoek voerde ze veldwerk uit op verschillende plaatsen in Tanzania en Mozambique, en karakteriseerde ze zowel de knaagdieren als de arenavirussen die door hen gedragen werden op genetisch niveau. Ze onderzocht onder andere welke factoren bijdragen aan de ruimtelijke genetische structuren van haar modelgastheersoort, de veeltepelmuis Mastomys natalensis, en bestudeerde ze in hoeverre die structuren de verspreiding van de arenavirussen van de muis kunnen beïnvloeden. Op het einde van haar doctoraat kon ze haar laboratoriumexpertise gebruiken om als WHO consulent mee te helpen met de moleculaire diagnose van het Ebola virus in een veldhospitaal in Guinée.

Sophie Gryseels behaalde haar Master in de Biologie aan de Universiteit Antwerpen in 2009 met de grootste onderscheiding. Haar master thesis, Free-living amoebae as hosts for mycobacteria in relation to Buruli ulcer endemicity, uitgevoerd aan de Universiteit van Accra in Ghana en aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen, handelde over de natuurlijke omgevingsreservoirs van de bacterie die Buruli ulcus bij de mens veroorzaakt in West Afrika. De passie voor de ecologie en evolutie van tropische infectieziekten zette ze voort in haar doctoraatsonderzoek onder begeleiding van Dr. Joëlle Goüy de Bellocq en Prof. dr. Herwig Leirs aan de Universiteit Antwerpen met een beurs van het FWO-Vlaanderen.

Species flocks and parasite evolution.Towards a co-phylogenetic analysis of monogenean flatworms of cichlids and gobies.

Maarten Vanhove behaalde in 2012 zijn doctoraat aan de KU Leuven, in associatie met het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Als FWO-aspirant onderzocht hij de diversiteit en de evolutiepatronen binnen “species flocks” van vissen en hun parasieten. Hiervoor werd intensief samengewerkt met buitenlandse partners, waaronder de Masaryk University (Tsjechië) waar hij momenteel post-doctoraal onderzoeker is. Belangrijke elementen in zijn onderzoek zijn moleculaire evolutie en stamboomreconstructie, morfologie, taxonomie, biogeografie, en natuurconservatie, met uitbreidingen naar andere organismen, waaronder diverse invertebratengroepen.


Diversity, ecology and status of potential hosts and vectors of the plague Bacillus Yersinia pestis

Na haar studies zoölogie reisde Anne Laudisoit rond in Afrika en Zuid-Amerika. Tijdens deze reizen geraakte ze geboeid door parasitologie in al zijn vormen, en ontmoette zij in de Peruviaanse jungle mensen die lijden aan cutane leishmaniasis. Na deze reis haalt ze een tweede master, ditmaal aan de Ulg en te Kinshasa, waar haar onderzoek zich toespitste op de rattenvangst om hun rol in te schatten als een risicofactor voor de volksgezondheid. In deze periode wordt duidelijk dat builenpest nog steeds hoogtij viert in de Democratische Republiek Congo en in andere landen.

Haar doctoraat (ecologie van de pest in Tanzanië) behaalt ze bij professor Herwig Leirs van de UAntwerpen met hulp van een FRIA-beurs. Tijdens haar doctoraat verkent ze ook de plaagfocus van Ituri in de Democratische Republiek Congo, en neemt ze deel aan een aantal conferenties en workshops in het veld.

Op basis van de bevindingen van haar doctoraat besluit ze om de hypothese van de builenpesttransmissie door nematoden en insectenlarven in het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie te testen. In 2010 doceert ze masterstudenten over teken en vlooien en hun rol in de epidemiologie van zoönotische ziektes in Kenia, en neemt ze deel aan twee grote biodiversiteitsexpedities, nl. Congo 2010 en Makay 3. Vandaag werkt ze aan de Universiteit van Liverpool i.s.m. de UAntwerpen over de ecologie van de pest in Kazachstan. Een nieuwe invalshoek is de dynamiek van de pest op een ander continent.


The role of rodents and insectivores in the epidemiology of mycobacterial infections in Africa

Het onderzoek dat ze in het kader van dit proefschrift verrichtte, handelde over mycobacteriën in kleine zoogdieren, in het bijzonder over de groep van mycobacteriën die tuberculose veroorzaken bij vee en die lelijke huidzweren veroorzaken bij mensen. Voor haar proefschrift ontwikkelde ze betere detectietechnieken voor alle aan tuberculose verwante microben. Daarmee kon ze aantonen dat de kleine zoogdieren in Afrika géén schuilplaats bieden aan de verwekker van rundertuberculose (Mycobacterium bovis), een ziekte die veel economische schade aanricht en bovendien geregeld ook mensen treft. Evenmin vond ze Mycobacterium ulcerans, de oorzaak van afzichtelijke open Buruli-wonden bij mensen, waartegen nog steeds geen geneesmiddel bestaat. Wel vond ze leden van het Mycobacterium avium-complex, een groep van nauw verwante ondersoorten. Bij mensen veroorzaken die onder andere het Lady Windermere-syndroom, zeg maar chronische longproblemen. Bij herkauwers veroorzaken ze onder andere paratuberculose, een chronische darmontsteking. Lies Durnez vond de ziekteverwekkers niet enkel in de knaagdieren, maar ook in hun uitwerpselen en in hun huidparasieten, wat het alleen maar waarschijnlijker maakt dat de mycobacteriën vanuit de knaagdieren weer op mensen kunnen overspringen.

Met dit onderzoek publiceerde ze artikels in verscheidene internationale wetenschappelijke tijdschriften en kreeg ze begin juni 2010 een doctoraat van de UAntwerpen. Vandaag werkt ze als onderzoekster aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) rond bestrijding van malaria.

Lies Durnez (° 1983) studeerde Biomedische Wetenschappen aan de UAntwerpen. Ze richtte zich reeds tijdens haar masterthesis op de rol van kleine zoogdieren als ziektedragers in Afrika, met een studie over mycobacteriën in knaagdieren in Tanzania. Hiermee studeerde ze af in 2004 met grote onderscheiding. Om dit onderzoek verder te zetten kreeg ze een doctoraatsbeurs van de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR-UOS), een organisatie die doctoraatsbeurzen ter beschikking stelt aan personen die onderzoek willen doen over een ontwikkelingsrelevant thema


Ontogeny and functional morphology of a highly specialized trophic apparatus: case study of neotropical suckermouth armored catfishes (Loricariidae, Siluriformes)

Tom Geerinckx behaalde zijn licentiaatsdiploma Biologie (optie Dierkunde) met grote onderscheiding aan de Universiteit Gent in 2001. Zijn licentiaatsscriptie, die hij uitvoerde aan de UGent en in het Afrikamuseum te Tervuren, leverde twee A1-publicaties op waarin systematische revisies van een groep Afrikaanse meervallen werden voorgesteld. Later leidde dit tot een bijdrage in de eerste editie van een internationaal samengestelde Frans- en Engelstalige fauna van de West-Centraal-Afrikaanse visfauna (uitgegeven door IRD & MNHN Parijs, KMMA Tervuren).

Na het afwerken van een bijkomende studie Master in Marine and Lacustrine Sciences, verkreeg hij een specialisatiebeurs van het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT), teneinde aan de UGent een doctoraat te voltooien met als titel Ontogeny and functional morphology of a highly specialized trophic apparatus: a case study of neotropical suckermouth armoured catfishes (Loricariidae, Siluriformes). Hierin toonde hij aan hoe een extreem, afwijkend vertebraat bouwplan, aangepast aan een bijzondere ecologische niche, zich ontwikkelt, en hoe de bijzondere, drastisch omgevormde en deels unieke anatomie ontstaat uit bestaande structuren. De onderzochte Zuid-Amerikaanse meervallen bezitten een opmerkelijk ventraalstandige zuigmond waarmee deze dieren zich kunnen vasthechten in de snelstromende wateren van het Zuid-Amerikaanse continent. Hun uitzonderlijk mobiele boven- en onderkaken zijn getransformeerd tot een efficiënt schraap-apparaat; het voedsel omvat algen en ander vastzittend materiaal. Negen publicaties in wetenschappelijke A1-tijdschriften resulteerden uit dit werk.

Momenteel is Tom Geerinckx werkzaam als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen, en bestudeert hij biomechanica, ecomorfologie en evolutionaire convergentie bij meervallen, met als doel de functioneel-anatomische basis van extreme structurele evolutie te karakteriseren. Hij ontving eerder reeds vier wetenschappelijke onderscheidingen, zowel nationaal als internationaal.


Taxonomy and evolutionary morphology of African catfishes (Clariidae), road to anguilliformity

In 2007 wordt de Schoutedenprijs toegekend aan de heer Stijn Devaere voor zijn doctoraatverhandeling ‘Taxonomy and evolutionary morphology of African catfishes (Clariidae), road to anguilliformity’. In deze studie wordt een classificatie voorgesteld van aalvormige, luchtademende katvissen, alsook de onderlinge verwantschappen tussen de verschillende soorten.

Stijn Devaere (°1977) studeerde biologie aan de Universiteit Gent, waar hij promoveerde tot doctor in 2005. Naast zijn onderzoek naar de taxonomie en evolutie van aalvormige katvissen analyseerde hij tevens de oorsprong van aanpassingen bij parasitaire gewervelden


Fossil Chironomidae (Insecta, Diptera) as biological indicators for past salinity variation in Afrcan lakes. Taxonomy, quantitative inference models, and assessment of model performance in space and time.

In 2005 wordt de Schoutedenprijs toegekend aan mevrouw Hilde Eggermont voor haar doctoraatsthesis ‘Fossil Chironomidae (Insecta, Diptera) as biological indicators for past salinity variation in African lakes. Taxonomy, quantitative inference models, and assessment of model performance in space and time’. Hilde Eggermont (°1977, Waregem) studeerde biologie aan de Universiteit Gent, waar zij promoveerde tot doctor in 2004. Momenteel is zij postdoctoraal onderzoeker aan het Departement Biologie, onderzoeksgroep Limnologie, van de Gentse universiteit. Hilde Eggermont is gespecialiseerd in de studie en de exploratie van de Afrikaanse kratermeren, specifiek aan de hand van fossiele indicatoren die haar toelaten de paleoclimatologische kenmerken van deze gebieden te beschrijven.


Towards an understanding of the shallow-water Holothuroid Fauna (Echinodermata, Holothuroidea) of the Western Indian Ocean

Dit jaar besliste de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB) de Schoutedenprijs toe te kennen aan de heer dr. Yves Samyn voor zijn doctoraalproefschrift "Towards an understanding of the shallow-water Holothuroid Fauna (Echinodermata: Holothuroidea) of the Western Indian Ocean". Zijn werk is een diepgaande faunistische studie van de zeekomkommers langsheen de kust van Oost-Afrika. De resultaten vormen een belangrijke basis voor een beter inzicht in de ecologie en zoogeografie van het onderzochte gebied, en voor een mogelijk beter beheer van deze te weinig gekende diergroep.

De heer Yves Samyn (°1972) studeerde af als licentiaat in de Biologische Wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Hij behaalde in 1995 zijn Master diploma. Dit jaar (2003) behaalde hij zijn doctoraat in de Biologische Wetenschappen, eveneens aan de VUB, met de grootste onderscheiding


Genetic diversity, breeding systems and taxonomic implications in two hermaphroditic terrestrial gastropod taxa (Mollusca, Pulmonata)

De Schoutedenprijs 2001 wordt toegekend aan de heer Kurt Jordaens voor zijn dotoraatsproefschrift "Genetic diversity, breeding systems and taxonomic implications in two hermaphroditic terrestrial gastropod taxa (Mollusca, Pulmonata)". Hierin worden twee gastropoden beschreven. Het is een werk van topniveau dat een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek omschrijft.

De heer Kurt Jordaens (°1971) studeerde af als licentiaat in de Biologische Wetenschappen aan het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (RUCA). In 1999 behaalde hij zijn doctoraat in de Wetenschappen, eveneens aan het RUCA, voor het werk dat hij indiende voor de Schoutedenprijs 2001. Hij is thans postdocassistent, verbonden aan de dienst Evolutionaire Biologie van het RUCA.


Morphological and genetic population structure in the Macaronesian, planktonic developing periwinkle, Littorina Striata, King & Broderip 1832 (Mollusca, Gastropoda)


Differentiation and evolution in two groups of closely related Phyllotreta species (Coleoptera, Chrysomelidae)


Rotifera 2: The Lecanidae (Monogonatha)


Population ecology of Mastomys natalensis (Shmit, 1934) multimammate rats: possible implications for rodent control in Africa


Morfologisch-systematische studie van nematoden uit Senegal


Morphogenetic aspects of the pharyngeal jaws and neurocranial apophysis in postembryonic Astatotilpia elegans (Trewavas, 1933) (Teleostei, Cichlidae)


Revisie van de Afrikaanse soorten van het tribus Pentastirini


Archeologische studie van Matipu (Ijzertijd en Late Steentijd) en Kiantapo in Zaïre (IJzertijd)


The birds of Cameroon


Inventaris van walvisachtigen (Cetacea) van de Vlaamse kust en de Schelde


Vergelijkende studie van de pterolysis in enkele Afrikaanse genera van de Ploceidae


The freshwater Fishes of Fernando Poo.


A review of the Family Epidermoptidae Trouessart. Parasitic on the skin of birds (Acaria, Sarcoptiformes)