In memoriam b0b Van Reeth

Bob Van Reeth

In memoriam b0b Van Reeth

Lid van de Klasse van de Kunsten.

Geboren te Temse op 25 februari 1943, overleden op 30 september 2025 te Brugge.

b0b Van Reeth was een eminent architect en stedenbouwkundige die door zijn oorspronkelijke bouwwerken een toonaangevende rol speelde in de Vlaamse architectuurwereld. Van 1998 tot 2005 was hij tevens de eerste Vlaamse Bouwmeester, het ambt dat instaat voor de architecturale kwaliteit van de Vlaamse overheidsgebouwen.

Van Reeth studeerde aan het Sint-Lucas instituut van Schaarbeek (1963-68), waar hij door Alfons Hoppenbrouwers werd geïntroduceerd in de wereld van de 20ste-eeuwse avant-garde, van het futurisme tot en met Le Corbusier. Geheel vervuld van de moderne traditie, ontpopte hij zich spoedig als een geïnspireerd ontwerper. Nog voor hij afstudeerde kreeg hij zijn eerste opdrachten: de winkel van de Antwerpse juwelier Willy Cambron (1965) en de uitgeverij van Walter Beckers in Kalmthout (1966-70), twee gebouwen die thans geklasseerd zijn als onroerend erfgoed.

Eens afgestudeerd, distantieerde hij zich van het functionalisme en legde hij zich toe op de ontwikkeling van een architectuur afgestemd op de bouwtradities in eigen land. Hij vestigde hij zich in Mechelen waar hij een begijnhofhuisje eigenhandig verbouwde tot zijn eigen atelierwoning (1969-70). Hij transformeerde het interieur tot een complexe ruimte die van plek tot plek andere perspectieven opent. Naast de architectuur koesterde b0b Van Reeth een levenslange passie voor de muziek van Bob Dylan. Hij had al diens LP’s en kende zowat al diens songs vanbuiten. Zijn passie voor folk song ging gepaard met een sterke belangstelling voor folk architecture, de wereldwijde ‘architectuur zonder architecten’. Hiervan vond hij in eigen land voorbeelden waar niemand ze ooit gezocht had: in de zelfbouwerij die de Belgen aan de achterkant van huis plegen te beoefenen. Hij ontdekte hierin een authentieke volkstaal met originele uitdrukkingen en neologismen. Hierdoor geïnspireerd ontwikkelde hij in de jaren 1970 een architectuur waarin hij de taal van de zelfbouwers verbond met structurele erfenissen van het modernisme. Het eerste voorbeeld daarvan bouwde hij in een Mechelse buitenwijk voor Georges Botte, een man die geheel vervuld was van de mei ‘68 denkbeelden over ontvoogding, openheid en participatie. De architect vatte zijn huis op als een portret van zijn gezin, een kleine gemeenschap met hechte onderlinge banden. De informele, bricolage-achtige vormentaal waarin hij het uitvoerde paste hij in binnen een rationeel betonskelet. Tussen 1969 en 1976 bouwde b0b Van Reeth een 30-tal gelijkaardige maar onderling sterk verschillende woningen, voornamelijk in de provincies Antwerpen en Brabant. Hiermee oefende hij een aanzienlijke invloed uit op het bouwen in Vlaanderen. Tegen het eind van de jaren ‘70 nam hij echter zelf afstand van zijn succesrijk idioom om zich te bezinnen op de grondslagen van de architectuur. Met name de opdracht een nieuwe vleugel te ontwerpen van het O.-L. Vrouwecollege te Antwerpen (1973-78) bracht hem tot een fundamentele reflectie over het verband tussen architectuur en stad, nieuwbouw en geschiedenis. Hij kwam tot het inzicht dat een nieuw gebouw door zijn vorm blijk dient te geven van begrip voor ‘de geest van de plek’. Het gebouw moet gestalte geven aan ‘wat de plek wil zijn’. Daarnaast ontwikkelde hij het idee van de ‘intelligente ruïne’: een gebouw met een sterke duurzame grondstructuur die door latere generaties op diverse manieren opnieuw kan gebruikt worden.

In 1981 richtte Van Reeth met enkele jongere collega’s de architectenwerkgroep AWG op, een samenwerking die een nieuwe fase in zijn ontwikkeling inluidde. Bij wijze van start re-affirmeerde hij zijn beeldend vermogen met de bouw van het huis Van Roosmalen aan de Antwerpse Sint-Michielskaai, een hoekpand dat met zijn complexe ‘scharnierende’ vorm de straatrichtingen articuleert en met zijn uiterlijk van alternerende zwarte en witte stroken herinnert aan het niet uitgevoerde project van Adolf Loos voor Joséphine Baker. Het gebouw was een expressief gebaar dat de aandacht vestigde op het potentieel van de plek, de toen sterk verkommerde Scheldekaaien, waarna spoedig de herwaardering van dit gebied op gang kwam. Enkele jaren later droeg hij daar opnieuw toe bij door een eind verder, aan de Plantinkaai, het nieuwe Zuiderterraspaviljoen tot stand te brengen.

Na deze en andere expressieve projecten trad er in zijn werk geleidelijk een ingrijpende versobering op. Onder de indruk van het voorbeeld van Aldo Rossi en diens ideeën over ‘de architectuur van de stad’, ging b0b Van Reeth zich vanaf het begin van de jaren 1990 steeds meer op de essentie van de opdracht concentreren en zich tegelijk bezinnen op de wezenlijke elementen van de architectonische vorm. De economie van de duurzaamheid, die hij 10 jaar later als Vlaams Bouwmeester zou naar voren schuiven, deed thans haar intrede in zijn praktijk. Een nadrukkelijk voorbeeld daarvan was het kantoorgebouw voor De Goede Pers in Averbode (1990-93). Vervolgens nam zijn verlangen naar eenvoud een blijmoedige vorm aan in het Seppenshuis te Zoersel (1994-96), een ontmoetingscentrum met gastenverblijf, gebouwd in opdracht van Wivina De Meester. In een verwante vormtaal bracht hij gelijktijdig in Utrecht het nieuwe woonerf aan de Mariaplaats tot stand, een radieus stedelijk ensemble, geënt op de oorspronkelijke middeleeuwse structuur van het erf.

Tijdens de zes jaar dat b0b Van Reeth Vlaams Bouwmeester was verzette hij de bakens in het Vlaamse architectuurlandschap. Door zijn toedoen worden de overheidsopdrachten in Vlaanderen thans op een billijke en transparante wijze gegund. Hij maakte de overheid tot een verantwoordelijke bouwheer die samen met de gekozen architecten inzet op duurzaamheid en architecturale kwaliteit.